
Rond de stikstofdiscussie in de bouw valt steeds vaker een opvallende term: supermachine. Je komt het tegen in berichten over het meetprogramma Meten aan de Pijp en over de nieuwe rekenmethode die de stikstofuitstoot beter inschat. Maar wat is een supermachine precies, welke sensoren zitten erop en wat hebben die metingen opgeleverd voor de emissiecijfers van jouw materieel? We leggen het uit in dit artikel.
Het woord supermachine heeft twee betekenissen. In de bouw is het vooral een informele bijnaam. Machinisten en leveranciers gebruiken het voor een zware grondverzetmachine die opvalt door zijn formaat en vermogen, zoals een grote rups- of mobiele graafmachine, een shovel of een dozer. Een vaste grens is er niet; het gaat vooral om machines die eruit springen.
Topsector Logistiek gebruikt de term preciezer. Daar draait het niet om formaat, maar om de soort en hoeveelheid data die de machine verzamelt. Een supermachine is uitgerust met sensoren die verder gaan dan de gebruikelijke gegevens over verbruik en draaiuren: ze meten de werkelijke stikstofuitstoot rechtstreeks aan de uitlaat en sturen die door. Die sensoren zitten in de uitlaat en de luchtinlaat, en dat rechtstreeks meten van de stikstof aan de bron heet meten aan de pijp.
De term supermachine komt uit het project Meten aan de pijp, onderdeel van het Meetprogramma Mobiele Werktuigen & Bouwlogistiek dat Connekt en Topsector Logistiek opzetten. Dat meetprogramma valt onder Schoon en Emissieloos Bouwen, het programma van de Rijksoverheid (BZK en I&W) om de bouw schoner te maken.
De aanleiding is stikstof. Veel bouwprojecten in de buurt van een Natura 2000-gebied lopen vast op de stikstofregels: je moet vooraf onderbouwen hoeveel stikstof je project neerlegt op beschermde natuur. Die berekening leunt op de landelijke rekenmethode van TNO. Die methode was voor een groot deel gebaseerd op aannames, en die aannames waren doorgaans conservatief gekozen. Dat leidde tot een structurele overschatting van de werkelijke stikstofuitstoot. Metingen uit de praktijk maken die inschatting realistischer.
Binnen het meetprogramma gebeurt dat meten op twee niveaus. Bij honderden machines wordt de motordata via de CAN-bus uitgelezen, waaruit de uitstoot wordt berekend. Bij tientallen machines uit die groep, de supermachines, wordt de stikstof daarnaast direct aan de uitlaat gemeten. Die directe metingen laten zien hoeveel een machine werkelijk uitstoot. Ze vormen de referentie waaraan TNO de rekenmethoden toetst en waarmee de rekenregels zijn aangescherpt, zodat de berekende uitstoot van ander materieel dichter bij de praktijk komt. GPS-Buddy bouwde het materieel in: de CAN-bus-koppeling bij de machines, en bij de supermachines ook de extra sensoren in de uitlaat.
Lees meer over wat de metingen hebben opgeleverd hier →.
Voor betrouwbare emissierapportage heb je geen sensor in je uitlaat nodig. Met Flowter kan je met of zonder CAN-bus eenvoudig je emissies inzichtelijk maken.
De aangescherpte rekenmethode van TNO zit verwerkt in de emissierapportage van Flowter. Voor machines met CAN-bus-data berekent Flowter automatisch de uitstoot van CO2, NOx en NH3. Machines zonder bruikbare CAN-bus-data blijven in beeld: op basis van draaiuren en motorvermogen berekent Flowter ook daarvoor een onderbouwde schatting. Zo zie je per project en periode wat je hele wagen- en machinepark uitstoot.
GPS-Buddy liet haar IT-controls rond de emissie- en rapportagemethodiek onafhankelijk toetsen in een ISAE 3000 assurance-traject met TÜV NORD Nederland en haar partner Diggle BV.
Dit artikel beschrijft een situatie in Nederland en is mede gebaseerd op informatie van het Meetprogramma Mobiele Werktuigen & Bouwlogistiek, TNO, Schoon en Emissieloos Bouwen en AERIUS. Raadpleeg voor de meest actuele informatie de officiële bronnen. Situaties kunnen veranderen. Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit artikel.