facebook
TR
Van Werven   GPS BUDDY   Foto32
Van stikstofberekening tot de jaarlijkse update in oktober

AERIUS uitgelegd: wat de tool doet en wat er in 2026 verandert

Bouw je dichtbij een Natura 2000-gebied, dan geldt een verplichting: voordat je een vergunning krijgt, moet je de stikstofuitstoot van je project berekenen en onderbouwen. Dat doe je in AERIUS, maar de rekenmethode achter die tool staat niet stil. In dit artikel leggen we uit waarvoor AERIUS bestaat, welke rol TNO speelt, en wanneer de tool binnenkort weer verandert.

Wat is AERIUS?

AERIUS is het rekeninstrument dat je als projectontwikkelaar of aannemer gebruikt om te berekenen hoeveel stikstofdepositie je bouwproject veroorzaakt op beschermde natuur, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Veroorzaakt je project stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, dan moet je vóór de start van je project aantonen dat significante gevolgen voor die natuur kunnen worden uitgesloten. Zonder die onderbouwing krijg je geen vergunning. Omdat veel van die natuurgebieden al zwaar belast zijn, kan zelfs een kleine toename al om extra onderbouwing of maatregelen vragen. De vergunningverlener toetst je aanvraag met diezelfde tool, zodat jij en de overheid met dezelfde rekenregels werken.

Emissie én depositie: wat berekent AERIUS precies?

Eerst bepaalt de tool de emissie: hoeveel stikstof (NOx en NH3) een bron uitstoot, bijvoorbeeld een graafmachine of een vrachtwagen. Daarna berekent de tool de depositie: hoeveel van die uitstoot uiteindelijk neerslaat op een natuurgebied.

De emissiekant leunt op cijfers en methoden van TNO. Aan de depositiekant rekent het RIVM met het verspreidingsmodel OPS, dat op basis van onder meer het weer en de windrichting berekent waar de uitgestoten stikstof uiteindelijk neerslaat. Voor wegverkeer gebruikt AERIUS daarnaast een aparte rekenmethode, SRM2, die speciaal bedoeld is voor de verspreiding van uitstoot langs wegen. Gaat het over een aanpassing van “de TNO-methode”, dan gaat het dus over de emissiekant: de inschatting van wat er de pijp uit komt.

Wat is de rol van TNO bij de ontwikkeling van de AERIUS-tool?

AERIUS wordt in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ontwikkeld en beheerd door het RIVM. Voor de emissiecijfers schakelt het RIVM TNO in: een onafhankelijke onderzoeksorganisatie die de overheid op tal van terreinen, van energie tot mobiliteit, ondersteunt met toegepast wetenschappelijk onderzoek. TNO ontwikkelt de rekenmethoden waarmee de stikstofuitstoot van een bron wordt bepaald, en levert de emissiefactoren die daaruit volgen aan AERIUS, voor wegverkeer, mobiele werktuigen, binnenvaart en zeevaart. Voor mobiele werktuigen zijn dat de AUB-methode (AdBlue-verbruik, Uren en Brandstofverbruik) en de eenvoudigere U-methode. Het RIVM verwerkt deze cijfers en voert daarna de depositieberekening uit. TNO levert dus de bouwstenen aan de voorkant, het RIVM rekent aan de achterkant.

Waarom verandert de rekenmethode zo vaak?

De rekenmethode staat nooit lang stil, en dat heeft een aantal samenhangende oorzaken. Nieuwe metingen leveren steeds beter inzicht: motoren halen in de praktijk namelijk niet altijd de uitstoot die op papier bij hun EU-norm hoort, en zodra metingen daar aanleiding toe geven, past TNO de cijfers aan. Daar komt beleid en regelgeving bovenop, zoals nieuwe EU-normen voor motoren en de overgang naar de Omgevingswet. Ook jurisprudentie speelt een rol: uitspraken van de Raad van State bepalen mede hoe je je emissies mag onderbouwen. Zodra AERIUS op basis van dit soort ontwikkelingen wordt bijgewerkt, ben je bovendien verplicht om met die nieuwste versie te rekenen: de Omgevingsregeling schrijft voor dat verouderde cijfers geen optie zijn. Al deze ontwikkelingen samen zorgen ervoor dat AERIUS doorgaans jaarlijks wordt geactualiseerd, volgens een vast ritme in oktober.

Hoe is de rekenmethode voor mobiele werktuigen in de afgelopen jaren veranderd?

De aanpak voor mobiele werktuigen is in stappen preciezer geworden. In 2009 werkte AERIUS met het model EMMA, dat vooral uitging van draaiuren. In 2021 introduceerde TNO de AUB-methode. Die koppelt de uitstoot aan drie praktijkgegevens: AdBlue-verbruik, draaiuren en brandstofverbruik. De gedachte erachter: hoe zwaarder een motor belast wordt en hoe beter de nabehandeling met AdBlue werkt, hoe beter je de werkelijke NOx-uitstoot inschat.

In 2023 kwam daar de U-methode bij, een eenvoudiger variant voor situaties waarin verbruiksgegevens ontbreken. Die gebruikt twee gegevens: het maximale motorvermogen van de machine en het aantal draaiuren. In de update van 7 oktober 2025 stapte AERIUS voor mobiele werktuigen over op cijfers per vermogensklasse in plaats van per sector.

Wanneer wordt de AERIUS-tool weer aangepast?

De eerstvolgende actualisatie staat gepland voor 6 oktober 2026. Voor mobiele werktuigen worden dan diverse NOx-kentallen bijgesteld. De basis daarvoor is het Meetprogramma Mobiele Werktuigen & Bouwlogistiek, dat onder Schoon en Emissieloos Bouwen valt. Daarbinnen worden in het project ‘Meten aan de Pijp’ de werkelijke NOx-metingen aan de uitlaat gedaan. GPS-Buddy won de aanbesteding van Connekt en Topsector Logistiek en voerde praktijkmetingen uit. Op honderden machines legden we via de CAN-bus het brandstofverbruik, de draaiuren en de motorbelasting vast. Bij tientallen daarvan plaatsten we sensoren in de uitlaat en de luchtinlaat, om de NOx-uitstoot direct aan de pijp te meten.

Uit die metingen blijkt dat mobiele werktuigen in de praktijk gemiddeld ongeveer 40 procent minder stikstof uitstoten dan de AUB-methode met de standaardaanname van zes procent AdBlue voorspelt, met uitschieters tot 90 procent. TNO heeft de resultaten vertaald naar een nieuwe rekenmethode, vastgelegd in een handleiding voor het berekenen van de NOx-uitstoot (TNO 2026 R10854). Die rekenmethode is tot 64 procent nauwkeuriger geworden. Voor de bouw betekent dit meer ruimte: projecten die eerder boven de depositiegrens in AERIUS uitkwamen, blijven daar nu mogelijk onder en kunnen alsnog doorgaan.

Een concreet voorbeeld van die aanscherping zit in de AUB-methode. Die rekent met het AdBlue-verbruik van een machine. Meet je dat verbruik zelf, dan vul je de werkelijke cijfers in. Echter, in de praktijk wordt het AdBlue-verbruik lang niet altijd bijgehouden. Ontbrak die data, dan werd tot nu toe teruggevallen op een standaardpercentage van zes procent. In de bijgestelde methode is dat niet meer nodig: is het werkelijke verbruik onbekend, dan wordt het AdBlue-percentage afgeleid uit de werkelijke motorbelasting, berekend op basis van het brandstofverbruik, het bouwjaar en het motorvermogen. Afhankelijk van die belasting komt dat neer op vier tot zeven procent. Zo sluit de berekende NOx-uitstoot beter aan op wat een machine in de praktijk uitstoot, ook wanneer het AdBlue-verbruik niet is gemeten.

Wat betekent dit voor jouw AERIUS-berekening?

De nieuwe rekenmethode kan invloed hebben op jouw AERIUS-berekening. Hoe de nieuwe methode van invloed kan zijn, lees je in dit artikel → de oude vs nieuwe methode

Emissiecijfers voor onder andere de AERIUS-rekentool bereken je eenvoudig via Flowter. Met een druk op de knop krijg je de emissiecijfers van je hele machine- en wagenpark, per project en per periode direct inzichtelijk.

GPS-Buddy heeft haar IT-controls met betrekking tot de emissie- en rapportagemethodiek onafhankelijk laten beoordelen binnen een ISAE 3000 assurance-traject, uitgevoerd in samenwerking tussen TÜV NORD Nederland en haar partner Diggle BV.

Meer weten over de emissierapportage in Flowter?

Bekijk de oplossing Vraag een demo aan

Let op: de officiële onderbouwing van het RIVM voor de release van 2026 was bij het schrijven van dit artikel nog niet gepubliceerd.

Dit artikel beschrijft een situatie in Nederland en is mede gebaseerd op openbare bronnen van TNO (repository.tno.nl), het RIVM (rivm.nl), AERIUS/BIJ12 (aeriusproducten.nl), het Meetprogramma Mobiele Werktuigen & Bouwlogistiek (meetprogramma.nl) en Schoon en Emissieloos Bouwen (opwegnaarseb.nl). Raadpleeg voor de meest actuele informatie de officiële bronnen. Situaties kunnen veranderen. Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit artikel.